De sensule en absurde extasies van Eufrasia

Hellend vlak:

Ik stond voor een stenen trap waarvan de treden onwaarschijnlijk hoog waren. Met handen en voeten hees ik me naar boven. Ik herkende zowel de trap als de rode deur. Ik wist uit een ver verleden hoe ik ze kon openen. Met afkeer veegde ik de jarenlange vuiligheid die zich tegen de deur had opgehoopt, spinnenwebben en lijken van grote doorzichtige spinnen met mijn handen weg en beroerde de deurklink.

Ik bevond me in een grote obscure ruimte. Nadat mijn ogen aan de duisternis gewend waren zag ik in de rokerige lucht roosgrijze embryo’s zweven. Op de oudroze tegelvloer lagen levenloze vruchten, de navelstrengen door elkaar gevlochten. Lees meer…..

 

Vanaf de maan!

Ik zit achter op een driewielertje bij een klein Chineesje. We fietsen langs een hoge muur van aangestampte sneeuw. De muur maakt plots een haakse bocht welke het kind niet bij machte is te nemen. We botsen tegen de sneeuw. Mijn neus en boezem raken de muur, alles kraakt.

Het Chinees jongetje lacht hikkend. Ik denk dat hij erin gaat blijven maar hij bedaart, draait aan het stuur, rijdt achteruit en terug vooruit. Hij doet erg zijn best op de pedalen. We slippen met ijselijke snelheid naar beneden. Het zijn besneeuwde trappen herken ik aan het hobbelend gevoel. Ik kan amper iets waarnemen door de sneeuwvlokken die alsmaar dwarrelen en het ventje dat in mijn gezichtsveld zit.

Ik ontdek dat er langs beide kanten een sneeuwmuur oprijst. We suizen er als een bobslee door. Ik heb de indruk op een montagne Russe te zitten. De kleine heeft zijn voetjes van voor op het frame geplaatst zodat de trappers onbesuisd, op eigen houtje als gek ronddraaien. We sleeën alsmaar sneller en sneller. Hij schijnt oneindig, deze lange weg.

Ongemerkt wordt onze snelheid afgeremd omdat we niet meer dalen en het niveau van de straat stijgt. Het spleetoogje zet zijn voeten weer op de pedalen, staat recht om harder te kunnen trappen. Lees meer…

 

Doodsbed

Ik lag  te sterven.
In een belendende kamer bevonden zich mijn kinderen. Ze zouden afscheid nemen. Het laatste, het allerlaatste afscheid.
Een kennis kwam binnen met een van mijn kleinkinderen aan haar hand. Ik murmelde lieve woordjes. Het kleinkind stond er verlegen bij. Ik had de indruk dat ze me niet herkende.
Ik zei de vrouw dat ik ‘één voor één’ afscheid  van de kinderen wou nemen.
Ze stiefelde de deur uit en mijn nakomelingen wrongen zich allemaal tegelijk door het portaal. Ik bundelde mijn krachten en riep ‘één voor één’.
Ze gingen achterwaarts uit de rouwkamer en kwamen met  twee plus een paar van hun vrienden de kamer in.
Ik riep luider, dat dacht ik toch, ‘één voor één’  heb ik gezegd. Kunnen jullie nu nog niet doen wat IK wil.’
Ik hoorde hen overleggen. Toen drongen al de jongens binnen.
Ik gilde: ‘EEN VOOR EEN’. Ik hoorde mijn beste vriendin zeggen.
‘Ze is stervende en nog moet ze brullen.’