Romans

Oorlog van Inez - coverOorlog van Inez

Duitsland. Ik word wakker. De trein staat stil. Sirenes loeien. Niemand maakt aanstalten de trein te verlaten. We zijn apathisch geworden en bovendien, zodra iemand zijn plaats verlaat wordt deze door anderen bezet. We houden geza­menlijk de adem in en luiste­ren gespan­nen. Ook angst stinkt. Na lange tijd fluit het alarm signaal ‘af’. De trein rijdt verder. Het voorbij­trekkende landschap weerspie­gelt zich in de ruiten. Wanneer het donker wordt zien wij er onszelf wazig in weerkaatst. De vrouw met de omslagdoek wiegt het kind. Ze zingt een slaaplied­je in een niet thuis te brengen dialect. De stank in de wagon wordt onhoudbaar. De trein rijdt snel. De wagons ratelen over de rails. Plots staat de officier op en schuift het venster open. Een koude luchtstroom waait het compartiment binnen. Iedereen huivert. Met een snelle ruk graait hij het dode kind onder de sjaal van de vrouw en gooit het door het geopend raam. In een flits zie ik wat blonde piekjes voor een gezichtje slierten.
 

dzingDzing
 
Het gillen van sirenes dringt door merg en been. Het blauwe zwaailicht van een ziekenwagen schiet als een komeet uit haar baan. De banden gieren rakelings langs Dzing heen wanneer de chauffeur de bocht te kort neemt en het gevaarte over het voetpad raast. Politiewagens rijden met vier rode knipperlichten en het akelige noodgeluid naar de plaats van onheil. Direct daarna volgt, in razende snelheid, een brandweerauto. Door de heen en weer zwaaiende, aan kabels hangende straatlichten lijkt de auto bemand met skeletten en doodshoofden. Bliksemschichten projecteren toesnellende figuren uit de nabije straten. Dzing zet het op een lopen via het korte stuk van de Paulusplaats, waar het politiebureel zich bevindt, de St.Paulusstraat op. Hij glijdt uit over natte, tramrails die in het nachtelijke duister blinken als een achtbaan van de kermis. Langs de mastodont van het Tolhuis rent hij naar de Schelde, wringt zich tussen de door de menigte opgestoken paraplu’s.
De regenschermen blinken zwart door de neer gutsende regen. Silhouetten van de samengeschoolde massa weerspiegelen zich in de vierkanten plaveien van de Scheldekaaien. Een van de gemeerde boten is hel verlicht. Matrozen in gele geoliede regenvesten wijzen naar een object in het inktzwarte water. Brandweerlui zijn in de weer met touwen en bootshaken. Een kikvorsman verschijnt aan het wateroppervlak. Begeleid door veraf klinkende misthoorns draait een kraan naar bakboord en wordt een motorrijtuig uit de rivier gehesen Op de kade spant de politie haastig een rood en wit gestreept lint. Door het diffuse licht lijkt daar de regen in stippellijnen neer te vallen. De toegelopen nieuwsgierigen worden achter de geïmproviseerde afspanning gedrongen. Dzing, intussen doordrenkt, huivert niet enkel van kou wanneer men tussen kade en schip een Harley Davidson optakelt.
Zijn hart gaat te keer als een losgeslagen boei. Aan de moto is een slappe gedaante vastgeketend.
Lees binnenkort meer….
 
mijn waanzinnig verrukte levenMijn Verrukt Waanzinnig leven
(In wording…)
 
1952. Een mistige novemberavond, rond tien uur. Op het plein waar ik terecht kom ontwaar ik op elke hoek vier roestige lantaarnpalen. Ze schijnen diffuus op enkele platte wagens langs enkel trapgevelhuizen. Datgene waar ik moet zijn bevindt zich in een zijstraat. Het is een antieke patriciërswoning. Ik bel en een duister stem vertelt me dat wanneer de poort zich opent, ik de binnenkoer moet oversteken en daar zal een deur me toegang verlenen tot een trap. Op de corridor op de eerste etage moet ik de tweede deur links ingaan. Men verwacht mij. De poort gaat open zonder dat er een mensenhand aan te pas komt.